voor
de oorlog in Groningen
Op
dinsdagavond 4 januari (1994) rommelde ik door een oude doos en vond
daar drie vergeelde kranten. Eentje ervan was de Haagsche Courant
van Maandag 21 juli 1969, die geheel gewijd was aan het feit dat de
mens zojuist voet gezet had op de Maan! De andere twee waren van
1938. De kranten kwamen uit de nalatenschap van Wim Smits
(astroloog/filosoof, overleden te Den Haag in 1985) en terwijl ik me
afvroeg of ik de kranten zou bewaren en mijmerde over het feit, dat
duizenden Nederlandse gezinnen waarschijnlijk op hun zolders nog
heel veel kranten uit de oorlog bewaarden, was er op de televisie --
die ik net had aangezet -- op datzelfde moment opeens een
reclamespotje te zien over een herdruk van kranten uit de tweede
wereldoorlog, waar je je op kon abonneren! Het fenomeen van
synchroniciteit is soms wel heel sterk!
Ik
bladerde de kranten eens door om te kijken waarom Wim Smits ze
eigenlijk bewaard had en stuitte toen op een voor astrologen
interessant artikel. De krant, waarin onderstaand artikel voorkwam,
heette: "12 UUR", is gedateerd Dinsdag 24 Mei 1938,
verscheen dagelijks en kostte 5 cent. Uitgever: N.V. 12 UUR-editie,
gevestigd te Rotterdam, Slagveld 1, Jaargang 1, nummer 135. Nadruk
verboden.
Men
moet met een Groninger niet over den tijd spreken. Natuurlijk wel
over 'den goeden tijd', toen het op tijd plachtte te regenen en
droog was en toen het de boeren goed ging, of over 'den slechten
tijd van tegenwoordig', nu de boeren steen en been klagen over alles
waar een landbouwer maar over klagen kan - en dat is in Groningen
heel wat - maar spreek hem niet over De Tijd.
De
Tijd is voor een Groninger boer de Oude Tijd, zooals wij die 's
winters hebben, netjes met de zon mee, en niet de wonderlijke tijd
van de 'stadjers', die een loopje met de zon nemen om 's avonds een
beetje meer licht te hebben. Er komt de laatste jaren steeds meer
begrip tusschen het platteland eenerzijds en de stad aan den anderen
kant, maar die zomertijd vergeeft de boer den 'stadjer' nooit. Want
een mensch kan zich desnoods nog aan een andere tijdindeeling
aanpassen, de koeien evenwel niet. Een koe wil op zijn tijd gemolken
worden, en de kippen hebben op denzelfden tijd honger in den zomer
en in den winter. Zij trekken zich van de menschenklok niets aan.
Bovendien
wanneer de boer nu den zomertijd zou volgen, dan moest hij een uur
eerder opstaan om alles op denzelfden tijd te kunnen doen en dan is
het lang nog te nat van de dauw. Immers als hij om zes uur opstaat
is het in de natuur pas vijf uur.
Men zou kunnen zeggen, waarom neemt de boer den zomertijd niet aan
en doet alles een uur vroeger? Maar dan vergeet men, hoe wij
menschen ons op de klok ingesteld hebben, zoo zelfs, dat wij ons er
niet meer los van kunnen maken. Men kan van een boerenknecht niet
verlangen, dat hij 's avonds terwijl het nog geheel licht is om
negen uur naar bed gaat, omdat hij den volgenden morgen een uur
eerder op zou moeten dan anders, terwijl de klok het hem niet
duidelijk maakt. Heeft men nieuwen tijd, dat is zomertijd, dan moet
men er ook naar leven, dat gaat niet anders.
Zoo
gaat men dus om vier uur uit Groningen weg en is om half vier in
Stedum. Dat wil zeggen per auto. Want gaat men met den trein, dan is
men om half vijf in Stedum aan het station en om kwart voor vier op
de plaats waar men in het dorp zijn moet. In de gemeenten die uit
meer dorpen bestaan is het nog vreemder. In de gemeente Slochteren
bijvoorbeeld heeft men drie tijden. Te Overschuld den ouden
wintertijd, te Borgweg den zomertijd, een uur later dus. Alsof dit
nog niet lastig genoeg was, heeft men in beide dorpen - en in een
enkel ander - er nog wat anders op gevonden, daar heeft men den
gulden middenweg genomen, dus een half uur tusschen de beide
uitersten, een soort van midden-Europeeschen tijd...
Wanneer
nu Jantje te laat op school kwam, was de brug niet open geweest en
had ook de haan zich niet verslapen, maar dan had Jantje een anderen
tijd dan de meester. De meesters echter, ook niet dom, staken de
hoofden bij elkaar en maakten de afspraak, dat alle scholen den
half-urigen tijd zouden aannemen. Dat hielp wel wat, maar niet
voldoende, want de klok bij Jantje thuis staat natuurlijk toch weer
anders.
Men
heeft ons doen willen geloven, dat er heel wat verkeeringen in
Slochteren afgeraakt zijn, omdat de jongens en meisjes zich niet aan
hun afspraken hielden. Of de een, of de ander stond een uur of een
half uur voor niets te wachten, omdat er niet duidelijk afgesproken
was met welken tijd men zou rekenen. Wat kan men anders verwachten
van drieerlei tijd in 1 gemeente?
Stel
den afstand tusschen Borgweg en Slochteren, gelijk aan Overschuld en
Slochteren, gelijk aan Sans souci-Slochteren = 1 1/2 uur gaans.
Heeft een jongmensch afgesproken om 4 uur in Slochteren te zijn, dan
moet hij uit Sans souci (plaats met middel-Europeeschen tijd) om 3
uur, uit Borgweg (zomertijd) half vier, uit Overschuld (oude tijd)
half drie! Knappe tijdmeesters en rekenbollen moeten de boeren in de
Groningsche binnenlanden ongetwijfeld zijn. Maar de schoolmeesters
zijn te beklagen!
Over
den ernstigen kant van het vraagstuk zou nog heel wat te zeggen
zijn, al is de strijd er omheen de laatste jaren geluwd, en hoort
men alleen in ons parlement nog wel eens een stem er tegen, de stem
van den roepende in de woestijn...